| Home > Vissoorten > Salmonides > Regenboogforel | |
| Regenboogforel | |
![]() |
|
| Oncorhynchus mykiss of Salmo gairdneri | |
| Familie: | Salmonidae |
| Subfamilie: | Salmoninae |
| Orde: | Salmoniformes (Salmons) |
| Klasse: | Actinopterygii (Straalvinnigen) |
| Max. Lengte: | 120 cm |
| Max. gepubliceerde gewicht: | 25.4 kg |
| Max. gepubliceerde leeftijd: | 11 jaar |
| Leefomgeving: | Zoet water en brak water. |
| Klimaat: | Gematigd |
| Verspreidingsgebied: | Oorspronkelijk verspreidingsgebied is Noord-oost Azië en westelijk Amerika. Sinds de tachtiger jaren van de negentiende eeuw uitgezet in Europa en daarna de rest van de wereld. |
| Determinatie: | De regenboogforel heeft een grijs groene rug die bezaaid is met zwarte spikkels en over zijn zilveren flank loopt een roze-rode iridiserende band, van de kop tot aan het begin van de staart. Een band waaraan hij zijn naam te danken heeft. Van de beekforel is hij te onderscheiden door de afwezigheid van rode stippen en de gespikkelde staart. Regenboogforellen die in meren leven zijn vaak amper gespikkeld. De staart is ondiep ingesneden. Het mannetje vormt in de paaitijd een haakbek. |
| Biologie: | De regenboogforel is onderwerp van discussie (geweest?). Zo zijn er wetenschappers die de regenboogforel en de steelhead als één en dezelfde vissoort zien (Latijnse naam: Oncorhynchus mykiss). Anderen onderscheiden beide soorten en benoemen de regenboog: Salmo gairdneri. Algemeen De regenboogforel is terug te vinden in wateren van de forel- en vlagzalmzone. Net als iedere forel is de regenboogforel afhankelijk van helder zuurstofrijk water, maar door zijn grotere tolerantie, wat betreft waterkwaliteit en temperatuur, vormt hij een geduchte concurrent ten opzichte van de inheemse beekforel. Snelle groei wordt bevorderd door de omvang en de voedselrijkdom van het water. In tegenstelling tot de bruine forel heeft de regenboogforel weinig schuilplaatsen nodig. Vandaar dat we hem op alle plekken van de rivier of beek tegen kunnen komen. Regenbogen zijn wat dat betreft niet honkvast en gaan graag op zoek naar voedsel. In meren zijn mondingen van beken of andere plekken waar water instroomt favoriet. Ontbreekt het daaraan dan toont de regenboog zijn onrustige karakter en zwerft hij (al of niet in groepjes) over de gehele plas. De regenboogforel komt van nature in Europa niet voor maar is biologisch gezien een vreemdeling. Maar wel een goed ingeburgerde en graag geziene vreemdeling. Deze populaire vis is oorspronkelijk afkomstig uit Noord Amerika. Met name de Duitse wetenschapper Max von dem Borne heeft aan het eind van de 19e eeuw veel aandacht besteed aan de import van ‘exoten’ op het Europese vaste land. Het aardige is dat Max von dem Borne oog had voor het belang van vissoorten voor de hengelsport. Zo zag hij niet alleen de regenboogforel als interessante vis maar kwalificeerde hij de Black Bass als een uitstekende soort voor de vliegvisserij. De regenboogforel zoals wij hem nu kennen is een mengvorm van verschillende varianten die voorkomen in het Noorden van Amerika: ondermeer de steelhead, de Kamloopsforel en de cutthroat zijn stamhouder. Het uitstekende aanpassingsvermogen en de snelle groei heeft de regenboogforel tot een zeer populaire vis gemaakt, zowel voor de consumptie als voor de sportvisserij. Het gevolg van dit alles is dat deze vis nu wereldwijd voorkomt. Voortplanting De voortplanting van de regenboogforel is bijkans identiek aan dat van de beekforel. De Regenboogforel wordt normaliter 5 tot 6 jaar oud en kan zich in een natuurlijke omgeving na 2 tot 3 jaar vermenigvuldigen. Meestal vormen zich vanaf september in de forel de geslachtsproducten hom en kuit. Vaak is dat voor de forel het startsein om stroom opwaarts te trekken naar de paaiplaatsen. De bodem van deze paaiplekken bestaat meestal uit schone, niet al te grote kiezel. Zoals alle salmoniden paait de beekforel in het koude jaargetijde, meestal in de maanden november tot januari. In de grindbedden maakt het wijfje een paaibed, vaak niet meer dan een klein kuiltje. Hierin verschilt het gedrag van de regenboog met dat van de beekforel: het mannetje van de regenboogforel helpt met het maken van het kuiltje. In het nestkuiltje legt het vrouwtje telkens enige tientallen eitjes. Deze worden door het aanwezige mannetje bevrucht waarna het vrouwtje de eieren met kiezels weer toedekt. Dit proces herhaalt zich enige malen. De eieren zijn van een relatief groot formaat. De ontwikkeling van de eieren is afhankelijk van de watertemperatuur en varieert tussen vier weken (watertemperatuur 12 graden) tot twee maanden (watertemperatuur 8 graden). Pasgeboren forellen verbergen zich tussen de stenen en leven van de inhoud van hun dooierzak. Zodra die leeg is voeden ze zich met dierlijk plankton maar schakelen al snel over op insecten(larven) en kreeftachtigen. Grotere exemplaren eten ook vis, kannabalisme is niet vreemd onder de regenboogforellen. De groei van de regenboogforel is sterk afhankelijk van de hoeveelheid aanwezig voedsel. De nakomelingen groeien op sommige plaatsen uit tot kanjers van 19,5 pond met een lengte van 115 cm. Ondanks verwoede pogingen is men er tot nu toe niet in geslaagd om de regenboogforel in Europa op natuurlijke wijze te laten voortplanten. Op enkele kleine populaties in voormalig Yoegoslavië en Oostenrijk na. |