| Home > Vissoorten > Zoet water > Snoek | |
| Snoek | |
![]() |
|
| Esox Lucius | |
| Familie: | Esocidae |
| Subfamilie: | |
| Orde: | Esociformes |
| Klasse: | Osteichthyes |
| Max. Lengte: | 137 cm |
| Max. gepubliceerde gewicht: | 15 kg |
| Max. gepubliceerde leeftijd: | 30 years |
| Leefomgeving: | Zowel in zoet-, brak- en zoutwater (Baltische zee). Snoek heeft een voorkeur voor stilstaand of langzaam stromend (helder) water met een variatie van oever- en onderwaterplanten. Daardoor is hij in zeer veel soorten water aanwezig: rivieren, beken, meren, maar ook in ondiepe poldersloten. |
| Klimaat: | gematigd klimaat |
| Verspreidingsgebied: | Komt voor op het hele Noordelijk halfrond. In Europa grenst het verspreidingsgebied tot aan het noorden van de Middellandse zee landen. In het noorden van Schotland en Noorwegen niet aanwezig. |
| Determinatie: | Snoek heeft een zeer herkenbare verschijningsvorm. Het lichaam is lang gerekt en de anaalvin en rugvin zijn ver achterwaarts op het lichaam geplaatst. De kop loopt uit in een platte, brede bek. De bek is ruimschoots voorzien van tanden, zowel op de kaken als het verhemelte. De tanden staan naar achteren gericht zodat een gegrepen prooi niet kan ontkomen. Het lichaam is getekend met goudkleurige stippen of strepen. |
| Biologie: | De snoek is een echte roofvis en heeft een belangrijke functie in de voedselketen. Hij voedt zich met alle soorten vis, ook kannibalisme is hem niet vreemd. Maar in het algemeen zijn het de zieke of zwakke vissen die voor de dagelijkse voedselvoorziening zorgen. Eenvoudigweg omdat deze makkelijker door hem zijn te vangen. Snoek leeft solitair en heeft een sterk territoriaal gedrag. Snoek migreert relatief weinig, behalve in het vroege voorjaar wanneer de snoek op zoek gaat naar geschikte paaigronden. De paai vindt plaats in maart en april, afhankelijk van de watertemperatuur. De eieren (tot ongeveer 500.000 stuks) worden afgezet op dichtbegroeide plaatsen dicht onder het wateroppervlak zoals oeverzones. Ook ondergelopen grasland wordt vaak als paaiplaats gebruikt. De vegetatie is van groot belang voor het welslagen van de jaarklasse. Niet alleen voor het afzetten van de eieren, maar ook als schuilplaats voor de jonge snoek. Na ongeveer 13 dagen komen de eitjes uit. De pas uitgekomen larven kunnen dan nog niet zwemmen en hechten zich vast op de aanwezige waterplanten. De jonge snoekjes teren in die eerste dagen nog enige tijd op hun dooierzak. Na ongeveer een week is die dooierzak leeg. De mondopening heeft zich dan gevormd en de jonge snoekjes vullen dan hun zwemblaas. Vanaf dat moment is de snoek in staat zich vrij te bewegen. Aanvankelijk leven ze van kleine kreeftachtige, later wordt dit voedselpakket uitgebreid met insectenlarven. Al snel kan de snoek overschakelen op vis. Meestal valt dat samen met de periode waarin de larven van de andere vissoorten opgroeien. Maar ook kleine snoek is niet selectief en schroomt niet om soortgenoten aan te vallen. Om zelf niet ten onder te gaan aan het onderlinge kannibalisme trekken ze weg en zoeken ze meer ruimte en dekking. Meestal wordt die gevonden in de begroeide oeverzone. Bij een lengte van ongeveer 10 centimeter bestaat zijn dieet voornamelijk uit visjes, aangevuld met andere gewervelde dieren (bijvoorbeeld kikkers). Pas wanneer ze ongeveer 60 cm zijn (in hun derde of vierde levensjaar) is het gevaar van kannibalisme geweken. Snoek groeit snel: na één jaar kunnen ze een lengte van ongeveer 22 cm bereikt hebben. De mannetjes zijn geslachtrijp bij een lengte van ongeveer 30 cm, de vrouwtjes bij 35 – 40 cm. Mannetjes worden niet groter dan ongeveer 85 cm, vrouwtjes kunnen uitgroeien tot 1,5 meter. |