| Home > Vissoorten > Salmonides > Bronforel | |
| Bronforel | |
![]() |
|
| Salvelinus fontinalis | |
| Familie: | Salmonidae (Echte zalmen) |
| Subfamilie: | Salmoninae |
| Orde: | Salmoniformes (Zalmachtigen) |
| Klasse: | Actinopterygii (Straalvinnigen) |
| Max. Lengte: | 86 cm |
| Max. gepubliceerde gewicht: | 9390 g |
| Max. gepubliceerde leeftijd: | 7 jaren |
| Leefomgeving: | Zoetwater, zoutwater en brakwater |
| Klimaat: | Gematigd |
| Verspreidingsgebied: | De bronforel komt oorspronkelijk uit Noord-Amerika en Canada. Daarbuiten komt hij komt voor in de diepe tot zeer diepe, zuurstofrijke meren van de noordelijke Alpen, Scandinavië, Rusland en Japan, evenals in de soortgelijke wateren in Groenland. We vinden hem ook aan de zuidkust van IJsland, bij Spitsbergen in Noord-Noorwegen, in de wateren van Moermansk tot Nowaja Semlja (Nova Zembla), en verder oostwaarts (Ladiges-Vogt). |
| Determinatie: | De bronforel is een prachtig getekende vis. De bovenkaak loopt (zoals bij alle char-achtigen) door tot ver achter het oog. De buitenrand van de buik-, borst-, en anaalvinnen is opvallend lichtgekleurd met een zwarte omranding; de staartvin is eveneens zwart omrand. Als zalmachtige beschikt de bronforel over een vetvin. De rug heeft een groen tot bruine marmertekening met licht en donkere accenten. De flanken tonen rode vlekken met blauwe halo’s. In de paaiperiode worden de lagere delen van de buik en de vinnen rood. Zeegaande bronforellen zijn donkergroen met zilverkleurige flanken en een witte buik. De vlekken kleuren dan bleek roze. |
| Biologie: | De bronforel voedt zich met een uiteenlopend dieet van insecten(larven), kleine kreeftachtigen en kleine visjes tot kleine zoogdieren aan toe. In Nederland is de bronforel sporadisch uitgezet. In de Scandinavische landen is hij succesvol geïntroduceerd. Mede omdat de bronforel goed bestand bleek tegen door zure regen vervuild water. De vis heeft zich in bepaalde gebieden zo goed verspreid en geacclimatiseerd dat je bijkans kan spreken van een plaag. Van origine komt de bronforel voor in zuurstofrijke beken, kleine en middelgrote rivieren. In de vroege lente vertoont de bronforel een trekgedrag stroomopwaarts om in de herfst weer terug te keren. De naar zee trekkende variant blijft meestal in de riviermonding of vlak daarbuiten hangen. Deze periode blijft meestal beperkt tot een maand of drie. |